donderdag 31 augustus 2017

170. Gepubliceerd: Literaire bruggenbouwers tussen Nederland en Frankrijk

Op 22 september wordt tijdens het congres van het Kenniscentrum Frankrijk-Nederland een nieuwe uitgave gepresenteerd: Literaire bruggenbouwers tussen Nederland en Frankrijk. Receptie, vertaling en cultuuroverdracht sinds de Middeleeuwen. Zie voor de inleiding de website van het KFN-congres




Het boek is geredigeerd door Maaike Koffeman, Alicia C. Montoya en Marc Smeets en uitgegeven door de Amsterdam University Press.

In de bundel is een artikel over een KB-collectie verschenen: '"Franse boeken moest je zelf opensnijden." Verzamelaars van Franse literatuur in Nederland'.

Nederlandse verzamelingen van Franstalige literaire en historische werken vormden vanaf de negentiende eeuw een brug tussen de Nederlandse en de Franse cultuur. In de twintigste eeuw verloren zulke collecties een deel van hun waarde. Een enkele collectie kan levend blijven en zich aanpassen aan de nieuwe eisen van de tijd: de Collectie Koopman in de Koninklijke Bibliotheek is daarvan een voorbeeld. Dankzij een fonds blijft de flexibiliteit van de collectie ook ná de dood van de schenker gegarandeerd: de collectie presenteert niet alleen de Franse literatuur, kunst en typografie uit Koopmans tijd, maar ook die van nu. Koopman was daardoor niet alleen een bemiddelaar voor zijn eigen generatie, maar ook voor de generaties na hem.

Mijn artikel begint als volgt:

‘Ach, had Napoleon maar gewonnen, dan spraken we nu allemaal Frans en dan was elke bibliotheek overal elke dag Franse Bibliotheek.’ Deze verzuchting van Rudy Kousbroek uit 1977 volgde op zijn constatering dat tijdens zijn leven het Frans ‘de status van tweede taal in Nederland’ was kwijtgeraakt. Hoewel zijn pleidooi voor een ‘Franse bibliotheek’ strikt genomen slechts reclame was voor een reeks vertalingen die uitgeverij Van Oorschot destijds uitgaf, kan zijn opmerking óók gelezen worden als een elegie voor het verdwijnen van de belangstelling voor het Franstalige boek in Nederland bij verzamelaars en bibliofielen. De aantrekkelijkheid van het Franse boek werd niet alleen bewerkstelligd door de literaire of kunstzinnige aspecten, maar ook door esthetische. Kousbroek schreef dat het uiterlijk van Franse boeken hem beviel: ‘De in sober rood en zwart bedrukte omslagen van papier, wit en kuis als een zeeschelp, paperbacks avant-la-lettre. [...] Franse boeken moest je zelf opensnijden, ik had daar een speciaal mes voor, niet te scherp, anders riskeerde je dat er een snede ontstond naast de vouw.’ Dat opensnijden was in Nederland al lang niet meer nodig, enkele uitzonderingen daargelaten. Maar Franse boeken werden door de drukkers niet afgesneden; dat werd traditioneel overgelaten aan de boekbinder. 

Bibliofiele collecties van Franse boeken in Nederland kennen een lange geschiedenis.

Niet-afgesneden exemplaar van Philippe Soupault, A la dérive (1923)
Foto: Koninklijke Bibliotheek
In het artikel worden de volgende vragen gesteld:

Hoe heeft Louis Koopman gefunctioneerd als bemiddelaar tussen de Franse literatuur en het Nederlandse publiek? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten er ook andere vragen gesteld worden: Wat is verzamelen? Hoe verhoudt de Collectie Koopman zich tot andere collecties van Franse (literaire) werken? Met welke maatschappelijke en persoonlijke motieven hield Koopman rekening bij het aanleggen van zijn verzameling? Wat zegt zijn verzameling ons over de culturele uitwisseling tussen Frankrijk en Nederland vanaf de 19de eeuw?

vrijdag 25 augustus 2017

169. Dubbel of niet dubbel? Hoeveel dubbel kun je zien?

De ‘dubbelen’ in de collectie Cees Willemsen waren even apart gezet. De collectie is al een tijdje beschreven: duizenden uit het Russisch vertaalde politieke en literaire boeken. Bij zo’n fanatieke verzamelaar is het niet ongewoon dat hij drie exemplaren van één boek koopt. De vraag is dan: zijn de exemplaren echt hetzelfde? Aan de beschrijving alleen kun je dat niet zien. Nu heb ik eindelijk alle dubbelen met alle aanwezige exemplaren kunnen vergelijken. En zijn er zo’n vijftig rariteiten ontdekt.

Leo Tolstoi, De Kreutzer-sonate (1911)
Wat voor rariteiten vond ik zoal? Gewone varianten, die ik ook verwacht had, zijn bijvoorbeeld varianten in banden en schutbladen, exemplaren mét of zonder vergulding van de snede, boeken waarvan het ene exemplaar de titel in kapitalen op de rug vermeldt, en het andere dat doet in kleine letters of in afwijkende kleuren. Zo zijn er bijvoorbeeld minstens vier varianten van de zesde druk van De Kreutzer-sonate van Tolstoi (uitgave Bolle in Rotterdam): met op de rug decoraties in zwart of bruin, of zwart én bruin, of met twee dan wel drie lijnen in het titelschildje - en dáárvan komen dan weer combinaties voor. Allemaal het gevolg van gewone uitgeverspraktijken aan het begin van de twintigste eeuw, maar zelden bij elkaar in één collectie te raadplegen.

Maar er waren deze keer ook boeken die bijna helemaal identiek zijn, op een embleem op de titelpagina na (in het ene exemplaar wél, in het andere niet), of boeken waarvan alle katernen netjes genummerd zijn (maar in één exemplaar katern nummer 4 niet genummerd is). Ook waren er boeken die duidelijk op een ander moment of op een andere machine zijn gebonden: het ene exemplaar met zes, het andere met acht bindgaten: De dubbelganger van Dostojewski bijvoorbeeld in de uitgave van Het Kompas in Antwerpen, maar ook diens Het dorp Stepantsjikowo. Dat laatste boek is een uitgave van Van Oorschot, van wie bekend is dat hij zonder medeweten van auteurs extra drukken oplegde. Is dit dus een extra druk of een latere bindpartij? 

Kortom, deze collectie doet precies wat we ervan verwachten: niet alleen alle uit het Russisch vertaalde werken zijn bijeengebracht, maar studenten kunnen ook nagaan wie er wanneer met de vertalingen en de Russische literatuur bezig was en hoe dat druktechnisch en uitgeverstechnisch is verlopen.


Haantje Goudkam (ca 1979-1980)
Een andere verrassing zat bij de kinderboeken. Die werden in de jaren zeventig en tachtig in het Nederlands vertaald en uitgegeven door Uitgeverij Progres in Moskou. Je zou denken, elke titel maar één keer, maar nee. Van Haantje Goudkam zijn minstens drie edities te vinden met andere omslagen en opnieuw gezette teksten.


J. Tsjaroesjin, Hoe zij leven (ca. 1971-1977)
Van Hoe zij leven eveneens: één editie is gezet uit een schreefloze letter, een tweede uit een letter met schreef en een derde ook met een schreefletter, maar die laatste uitgaven verschillen weer van elkaar. In de ene telt de tekst over ‘Het eekhoorntje’ bijvoorbeeld negen, in de andere tien regels. Het hele boekje is weer opnieuw gezet en gedrukt. De titelbeschrijvingen zijn verder geheel identiek, maar het zijn opeenvolgende drukken. De volgorde ervan is lastig vast te stellen. Maar één van die uitgaven is gedateerd. Kennelijk waren dit populaire edities. Toch lagen ze in 1982 bij De Slegte (volgens De Telegraaf van 30 juli 1982, te vinden in Delpher door te zoeken op 'Haantje Goudkam'.)

Mijn collega's die al die boeken te voorschijn brachten uit de magazijnen kregen een typisch Russische lekkernij voorgeschoteld als dank.


donderdag 17 augustus 2017

168. Tarotkaarten van Louttre.B

In een Amerikaanse catalogus zag ik een boek aangeboden van een kunstenaar met de eigenaardige naam Louttre.B. De naam doet een beetje denken aan een dj of een rap-artiest, maar de man was een Franse kunstenaar (1926-2012) die de achternaam van zijn moeder gebruikte en die van zijn vader had afgekort tot de initiaal B. Eigenlijk heette hij Marc-Antoine Louttre-Bissière. Hij exposeerde vaak in Nederland.

Louttre B, Le Tarot des familles (1978)
Zijn kunstenaarsboeken zijn helemaal in ets uitgevoerd, dus ook de teksten. Daar zijn wel meer voorbeelden van, maar toch ook weer niet zo veel. Het boek dat werd aangeboden hadden we niet (is nu onderweg), maar we hadden wel al een boek van deze kunstenaar, namelijk Le Tarot de familles uit 1978.



Kaarten en tekst uit Louttre B, Le Tarot des familles (1978)
Het boek bevat 78 gegraveerde en in kleur gedrukte tarotkaarten, vaak drie op één blad, soms twee, maar die zijn dan vergezeld van een tekst. Ook die verklaringen bij de platen zijn uitgevoerd als ets. Van het boek zijn 75 exemplaren gedrukt en in eigen beheer uitgegeven.

Colofon en kaart uit Louttre B, Le Tarot des familles (1978)
Drie jaar na de publicatie werden de kaarten ook los als tarotspel gepubliceerd door Grimaud bij gelegenheid van een expositie van het Musée des Arts Decoratifs over oude speelkaarten. Die kaarten worden door verzamelaars van tarot en speelkaarten gewaardeerd om hun eigenaardige nummering, de tot essentiële symbolen geabstraheerde voorstellingen, gebaseerd op het dek van Marseille (zonder personages) en hun impressionistische, opzettelijk rauwe stijl.

donderdag 10 augustus 2017

167. Het sperma gods...

Het sperma gods... is niet iets om te googelen. Je komt meteen terecht bij websites waarvan de meest kalme titel is: 'Kom op mannen, niet zo verlegen'. De rest zijn onvervalste sexsites, zoals 'Sex profielen. De erotische marktplaats'. 

Ik zocht naar gegevens over Het sperma gods... omdat dit de titel is van een gedicht dat ik net had aangekocht voor de KB. Het is geschreven door Gerard den Brabander.

Gerard den Brabander, Het sperma Gods... (1954)
Maar bovenaan de lijst met zoekresultaten komt een DBNL-pagina met de gedigitaliseerde bibliografische kaarten over Gerard den Brabander, uitgegeven door het Literatuurmuseum (destijds nog Letterkundig Museum, of eigenlijk, Nederlands Letterkundig Museum & Documentatiecentrum).

Daaruit blijkt dat het gedicht, of een plano vel papier met als watermerk een kroon en guirlande, een privé-uitgave van de dichter zelf is en dat de datum onderaan ook de datum van uitgave is. De dichter was ruim twee weken eerder 54 jaar geworden.

Het lijkt eerst een wat vreemd gedicht, maar met het sperma gods blijken 'de tintelende sterren' te worden bedoeld, die worden afgezet tegen de menselijke aarde waarmee de dichter zich vereenzelvigd:

het sperma gods, de tintelende sterren,
en ik, de miskraam, die men aarde noemt,

Die miskraam tegenover die zaadvloed is natuurlijk wel fraai. Of we 'gods' met een hoofdletter schrijven of niet, blijkt niet uit deze publicatie, want er zijn geen hoofdletters gebruikt, ook niet voor de naam van de auteur. De hele tekst is gezet uit de Libra en alleen onderkastletters zijn gebruikt. De letter is een ontwerp van typograaf S.H. de Roos. (In de bundel Onraad uit 1955 stond 'Gods' met een hoofdletter, en dat is natuurlijk overgenomen in de Verzamelde verzen uit 1984).

Het gedicht is typerend voor de poète maudit, de gedoemde dichter, die Den Brabander (1900-1968) was. Toen in 1966 zijn verzamelde gedichten verschenen werd hij door Clara Eggink de beste dichter van zijn generatie genoemd en zij prees zijn morbide thema's en de 'rauwe hoon'.

Negatieve woorden als 'drek', 'verdoemd', 'leegten', 'versperren', 'vervloekt', 'verkrachten', 'dood', blijven in wankel evenwicht met positieve termen als 'geluk', 'lief', 'kus', 'hart', 'àl liefde' en 'verwachten'.

Den Brabander gaf het gedicht in eigen beheer uit, hij liet het dus zelf ergens drukken - geen idee waar en door wie. Dit soort dingen deed hij sinds het midden van de Tweede Wereldoorlog, toen hij De deur op het haakje liet drukken bij de Amsterdamse firma J. van der Schaaf.

Ik kocht het blad, in groene inkt gesigneerd door de dichter, bij Catawiki en daarbij kwamen twee prentjes van Toorop mee, niets bijzonders, de normale katholieke kitsch uit zijn latere jaren, maar aardig is dat ze op de achterzijde zijn gedateerd door Godfried Bomans die er, toen hij ze in 1937 verwierf, ook zijn handtekening bij heeft geplaatst. Misschien iets voor onze Tooropcollectie.

Reproducties naar J.A. Toorop, met de handtekening van Godfried Bomans
De aanwinsten zijn nog niet beschreven natuurlijk, want ik kreeg ze net met de post.




maandag 7 augustus 2017

166. Boekrollen in het Rijksmuseum voor Oudheden

Het Leidse Rijksmuseum voor Oudheden toont hoe een rijke Romein leefde rond het jaar - ik geloof ten tijde van Augustus. Maar misschien wel een eeuw later of nog later, dat staat nergens. 'Casa Romana' heet de show, die de bezoeker laat kennismaken met een chique Romeinse stadsvilla. Slaapkamer, ontvangstruimten, keuken, bibliotheek, het hele huis gaan we door. Een mooie tentoonstelling.

Er is vast gesmokkeld met het actuele jaar en dus een bloemlezing van eeuwen rijk Romeins leven gemaakt.

Rijksmuseum voor Oudheden (6 augustus 2017)
Dat smokkelen komt in elke zaal tot leven doordat stukken zijn toegevoegd die uit veel latere tijden stammen, bijvoorbeeld een buste van Koning Willem I, een erotisch medaillon uit ca 1920 en andere voorwerpen die aangeven dat de kunst van het Romeinse Rijk diepe sporen heeft nagelaten in de geschiedenis van de kunst, maar ook de bezoeker steeds even op het verkeerde been zetten. Waar kijk ik naar? Wat zie ik eigenlijk? Knap is, dat dit nergens expliciet wordt uitgelegd. Je bent als kijker op de hoede om er niet in te trappen. Nadeel is dus dat je echt niet weet in welk jaar je rondloopt.

Rijksmuseum voor Oudheden (6 augustus 2017)
De bibliotheek bestaat uit een nagebouwde kast met planken en daarop eenvoudig opgerolde stukken papyrus. (Ik neem maar even aan dat het papyrus is). Geen lange dichtwerken, al hingen er labels aan die dat impliceerden, maar de complete Aeneis op een enkel vel is natuurlijk onzin, bovendien waren de vellen onbeschreven.

Een symbolische bibliotheek, we zien het tegenwoordig vaak.

In dit geval kan het niet anders: de bibliotheken uit de oudheid zijn grotendeels verloren gegaan, op wat getuigenissen na. En resten van papyrusrollen.

Rijksmuseum voor Oudheden (6 augustus 2017)
Maar, hoe onzuiver in tijd, hoe eclectisch qua samenstelling, en hoe onduidelijk in detail de tentoonstelling ook is, ik vond het een inspirerend geheel, waar je als bezoeker en kijker serieus genomen wordt, maar niet bedolven onder informatie. De lichtheid van het geheel is ook in lijn met de makkelijke keuze: de rijke Romein leefde een interessanter leven dan de arme Romein, van wie we maar moeilijk een beeld krijgen. Zoals Horatius al zei, je kunt arm zijn, ook al ben je omringd door rijkdommen.

Maar als bezoeker kun je je rijk wanen.

woensdag 2 augustus 2017

165. Een vergissing en een raadsel

Op mijn vorige blog, over een eigenaardige beschrijving van Het ideale boek (2010), kreeg ik de volgende reactie:

In deze alleraardigste blog noem je het een raadsel of vergissing, maar de antiquaar maakte gewoon misbruik van de afbeelding tegenover de titelpagina van ‘Het ideale boek’ door de vermelding ‘Dieses Exemplar erhielt die Nummer: 114’ te doen gelden voor een nummering van de auteurs, terwijl het natuurlijk slaat (want daarin afgedrukt) op het boek van de Heuvelpers: ‘Die Nordsee’ van Heinrich Heine.  Geen raadsel dus, maar wel zijn alle ‘Ideale Boeken’ genummerd als 114. 


Jos Uljee (KB), colofon van de Heinrich Heine-uitgave van de De Heuvelpers
Ik was dat helemaal vergeten, maar inderdaad: als frontispice gebruikte ontwerper Huug Schipper een foto van mijn KB-collega Jos Uljee en daarop was het colofon te zien van de uitgave van de Heuvelpers, Heinrich Heine, Die Nordsee (1928).

De handelaar die dus dacht exemplaar nummer 114 van Het ideale boek in handen te hebben, heeft zich begeven in een Magritte-achtige, surrealistische groeve, waarin het afdalen almaar onrealistischer wordt.

We zien het colofon van een exemplaar uit de KB-collectie, nummer 114, gesigneerd door de uitgever en drukker S.H. de Roos.

De fotograaf heeft op dat exemplaar een potlood gelegd, alsof De Roos dit exemplaar net gesigneerd had en dat dit zijn potlood was.

Maar De Roos was toen al bijna vijftig jaar dood.

We zien een potlood dat geen potlood is maar de afbeelding van een potlood. We zien een handtekening die niet met dat potlood is gezet, maar al vijftig jaar daarvoor is gezet.

We zijn van de ene surrealistische wereld in een andere geplaatst.

dinsdag 1 augustus 2017

164. Een raadsel of een vergissing

Soms zie je opeens op internet een beschrijving van een boek waarvan je denkt: hier is van alles fout gegaan.

Zo las ik onlangs een beschrijving door een antiquariaat van mijn uitgave uit 2010 (onder redactie van mijzelf en Clemens de Wolf), Het ideale boek. Honderd Jaar Private Press in Nederland, 1910-2010.


De afbeelding op de website is zo 'veilig', dat er niets van overblijft, als je die in detail wil bekijken:


In de beschrijving van het boek staat:

Uitgeverij Vantilt., 2010 (1e druk), Gratis verzending NL, ISBN 9789460040603, Groot formaat gebonden boek met stofomslag, in goede staat. Genummerd exemplaar: 114. Gesigneerd exemplaar.

Waarom word ik daar vrolijk van? Ten eerste natuurlijk, omdat de drukaanduiding van een positivisme getuigt waarvan elke auteur week in de knieën wordt, alsof een tweede druk tot de mogelijkheden had behoord.

Maar dat is het systeem, dat vraagt om een identificatie van de oplage...

Dan echter gaat iets mis. Meerdere dingen gaan mis.

De beschrijving spreekt over een stofomslag. Verbazingwekkend, want de uitgave is nooit met stofomslag op de markt gebracht.



En dan de annotatie: 

Genummerd exemplaar: 114. Gesigneerd exemplaar.

Er zijn van deze uitgave van de Koninklijke Bibliotheek en Vantilt helemaal geen genummerde exemplaren uitgebracht, er is geen luxe editie, laat staan dat er door mij gesigneerde exemplaren bestaan.

Dat het een lekker boek is, ja, dat wil ik wel beamen, maar luxe is het niet en mocht het niet worden ook. Je moet nooit onderwerp en vormgeving van een boek verwarren.

woensdag 19 juli 2017

163. Publicatie over Vlaamse private presses rond 1900

Recent verscheen het nieuwe nummer van De Gulden Passer (het eerste van 2017) met daarin mijn artikel over de Vlaamse private presses rond 1900.

De Gulden Passer (2017-1)
Het voorbeeld van de Kelmscott Press van William Morris (1834–1896) werd tot de eeuwwisseling gevolgd door een aantal private presses in en rond Londen: Lucien Pissarro
(1863–1944) publiceerde zijn eerste uitgave van de Eragny Press in 1894; in 1895 begon de
Ashendene Press van C.H. St John Hornby (1867–1946); Charles Ricketts (1866–1931) volgde met de Vale Press in 1896; C.R. Ashbee (1863–1942) richtte in 1898 de Essex House Press op en in 1900 verscheen de eerste uitgave van de Doves Press van Emery Walker (1851–1933) en T.J. Cobden-Sanderson (1840–1922). De export van deze ‘revival of printing’ naar het Europese continent raakte na de dood van instigator William Morris in een stroomversnelling. Dat betrof aanvankelijk voornamelijk zijn gedachten over boektypografie, waarbij de nadruk lag op ‘fraai en solied drukwerk’. Het duurde even voordat de daaraan gerelateerde private press-beweging opbloeide. De eisen die William Morris stelde aan het moderne boek – onder andere vastgelegd in zijn toespraak over Het ideale boek – werden niet alleen in Engeland nagevolgd, maar ook op het continent, zij het in elk land op een andere manier. In Duitsland gold Morris als leider van een nieuwe typografische verbeelding, in Nederland inspireerde hij vooral kunstenaars en auteurs, in Frankrijk werd het werk van zijn Kelmscott Press bijna geheel genegeerd of afgekeurd. België liet – met enkele vroege private presses – een heel eigen en gemengde reactie zien, waarbij Morris enerzijds bewonderd en anderzijds ontweken werd.

In Duitsland kreeg de invloed van Morris een podium in verschillende tijdschriften en
bijvoorbeeld in de uitgave Die neue Buchkunst van het Gesellschaft für Bibliophilen in
Weimar (1902). In 1903 werd bij de Steglitzer Werkstatt al één boek op een private press
gedrukt met als oogmerk ‘schöne Bücher im Sinne Morris’ und seine Nachfolger zu drucken’, maar echt gestalte kreeg de invloed van Morris pas met de oprichting van twee
private presses in 1907: de Ernst Ludwig Presse en de Janus Presse. Vanaf 1910 begon de
beweging ook in Nederland tot resultaten te leiden met de oprichting van De Zilverdistel
(een vroegere poging in 1897/1898 was gestaakt). Eerder bereikte de private press-koorts
wel al de Verenigde Staten, waar de Roycroft Printing Shop vanaf 1896 Morris-imitaties
drukte. De primeur in Europa was intussen weggelegd voor België. In 1895 werd de drukpers van Henry van de Velde (1863–1957) geïnstalleerd, La Joyeuse. Tussen 1898 en 1903 trad Jules de Praetere (1879–1947) in de voetsporen van William Morris. Een derde Vlaamse private press volgde in 1902: L’Alouette van Max Elskamp (1862–1931). Daarna bleef het op dit front lang stil in Vlaanderen.

Lees verder in De Gulden Passer...

Een van de conclusies in het artikel is dat De Praetere in zijn boeken geen houtsneden gebruikte, maar tekeningen die naar een cliché zijn afgedrukt. Een van de bewijzen daarvoor is een zichtbare nagel naast het vignet in Karel van de Woestijne's Het Vader-huis waarmee het cliché op een blokje was gemonteerd. (Zie rechtsonder op de onderste afbeelding.)


Vignet in Het Vader-huis

zondag 9 juli 2017

162. Symposium Tekst & Beeld: Franse kunstenaarsboeken (4)

Bregje Hofstede, auteur en kunsthistorica, opende op 29 juni het symposium 'Tekst en beeld: Franse kunstenaarsboeken'. Wij vroegen haar een presentatie te geven als laureaat van het Louis Koopman Stipendium.

Bregje Hofstede in de KB, 29 juni 2017 (foto: Jos Uljee/KB)
Het stipendium maakte mogelijk dat zij naast boeken uit de Koopman Collectie ook exemplaren kon onderzoeken in Parijs, in de Bibliothèque nationale de France en in het INHA (het Institut national d'histoire de l'art). Ook bezocht zij het atelier van kunstenaar Joël Leick. Haar studie ging over het handschrift van auteurs en kunstenaars en over de integratie van beeld en tekst. Hofstede besteedde daarbij aandacht aan het uiteenlopende werk van twintigste-eeuwse kunstenaars en schrijvers, zoals Fernand Léger, Jean Cocteau, Pierre Reverdy, Georges Hugnet, Christian Dotremont, Jean Dubuffet, Henri Michaux, Jean Capdeville, Jean Cortot, Joël Leick en Didier Mutel. 

Bregje Hofstede in de KB, 29 juni 2017 (foto: Jos Uljee/KB)
Haar presentatie - die grote indruk maakte - was getiteld: 'Brutale taal. De rol van het schrift bij Fernand Léger en Henri Michaux'. De twee boeken waartoe zij zich beperkte waren La fin du monde filmée par l'ange N.-D. (1919) van Blaise Cendrars en Fernand Léger en Par des traits (1984) van Henri Michaux.

De complete tekst over deze twee boeken zal binnenkort op de website van de Collectie Koopman te lezen zijn. 


Bregje Hofstede in de KB, 29 juni 2017 (foto: Jos Uljee/KB)
Henri Michaux, Par des traits (1984)

vrijdag 7 juli 2017

161. Symposium Tekst & Beeld: Franse kunstenaarsboeken (3)

De laatste spreker op het symposium 'Tekst & Beeld: Franse kunstenaarsboeken' was Maaike Koffeman, die als gastredacteur van het tijdschrift Relief optrad en met mij verantwoordelijk was voor het symposiumprogramma.

Maaike Koffeman naast Diederik Ruys
(penningmeester van de Stichting Fonds Anny Antoine/Louis Koopman)

Maaike Koffeman
Maaike Koffeman is Universitair docent Franse literatuur en cultuur en algemene literatuurwetenschap aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Zij doet onderzoek naar modernistische tijdschriften en Frans-Nederlandse betrekkingen. In Nijmegen heeft zij het Kenniscentrum Frankrijk-Nederland opgericht.

Zeer regelmatig komt Maaike met haar studenten naar de KB, waar wij gezamenlijk een college geven over surrealistische tijdschriften (of soortgelijke onderwerpen), waarbij ik dan de boekhistorische aspecten onder de loep neem. Ook laat ik natuurlijk andere boeken uit de collectie zien, vaak uit de Collectie Koopman. Studenten nemen een van die boeken dan als uitgangspunt voor hun onderzoek. 

Maaike Koffeman tijdens haar presentatie over Paul Éluard
Deze colleges zullen worden gecontinueerd en uitgebreid nu er een nieuw landelijk programma van start gaat in het kader van MasterLanguage. Samen met Olivier Sécardin uit Utrecht leidt Koffeman het onderdeel 'Le texte et l'image'. (Zie de cursusbeschrijving op MasterLanguage). Alle studenten zullen voor hun individuele opdrachten een boek uit de Collectie Koopman bestuderen.

Paul Éluard, Voir (1948): voorzijde omslag
In haar bijdrage voor het symposium stond het werk van Paul Éluard centraal. Zij voegde aan de verbinding tussen tekst en beeld nog een derde kunst toe: de muziek. Via die drie kunsten werden de dichter Éluard, de schilder Pablo Picasso en de componist Francis Poulenc met elkaar verbonden. Koffeman liet een compositie horen van Poulenc. De tekst daarvan was een gedicht van Eluard uit zijn boek Voir (1948).

Paul Éluard, Voir (1948): achterzijde omslag
Het complete verhaal van Maaike Koffeman kan in open access worden gedownload vanaf de pagina's van Relief. Zie hier voor een link naar de opname van Francis Poulencs compositie voor 'Le Travail du Peintre: Picasso' (met als bariton Jasper Schweppe).

[Wordt vervolgd. Volgende keer: de eerste spreker van het symposium: Bregje Hofstede].

donderdag 6 juli 2017

160. Symposium Tekst & Beeld: Franse kunstenaarsboeken (2)

De wisselwerking tussen tekst en beeld in boeken van kunstenaars is niet altijd direct te benoemen. Maar sommige kunstenaars zijn heel uitgesproken. Zo iemand was de Franse dichter Pierre Reverdy. Tijdens het symposium 'Tekst en Beeld' (donderdag 29 juni in de KB, zie mijn eerdere blog) sprak Dorine Gorter over Reverdy. Afgelopen jaar publiceerde Gorter - zij is behalve onafhankelijk onderzoeker docent Frans aan het Sint-Vituscollege in Bussum - haar proefschrift over Reverdy en het kubisme: Reverdy entre poésie et peinture. Cubisme et paragone dans les écrits sur l'art (1912-1926) de Pierre Reverdy. 


Dorine Gorter (technisch bijgestaan door Wouter Marinissen)

De ideeën van Reverdy over de relatie tussen kunst en literatuur waren aanvankelijk zeer strikt. Terwijl andere dichters er geen kwaad in zagen om gedichten schilderkunstig te noemen of andersom, wilde hij het terrein van de poëzie afschermen tegen invloeden van het kubisme. Dat was de inzet van een machtsstrijd tussen de kunsten. Hoewel van hem gezegd wordt dat hij het kubisme in de poëzie bracht, was hij er zelf van overtuigd dat de poëzie een sterke onafhankelijke kunstvorm was. Hij vond dat tekst superieur was aan beeld.


Pierre Reverdy, Georges Braque, La liberté des mers (1960)

Na de Tweede Wereldoorlog is die scherpte er wel van af. De strijd is gestreden, en dan leent Reverdy zich voor enkele samenwerkingen met schilders die imposante boeken opleveren. Zo werkt hij samen met Pablo Picasso en met Georges Braque. Dorine Gorter zoomde in op de laatste samenwerking met Braque, voor het boek La liberté des mers uit 1960.



Pierre Reverdy, Georges Braque, La liberté des mers (1960) [Foto: Jos Uljee]
Het is een groot formaat boek waarvan een fraai exemplaar in de Collectie Koopman aanwezig is. Reverdy heeft de teksten (herzieningen van eerdere gedichten) zorgvuldig uitgeschreven in zeer grote letters: soms maar een paar woorden per regel en een halve zin per pagina. Braque heeft daarna tussen de regels, maar ook door de tekst heen, zijn lithografische 'interventies' aangebracht (de techniek is wat ingewikkeld, want deels werden de illustraties geëtst). Zo gingen beeld en tekst deels in elkaar op - wat Reverdy aan het begin van zijn loopbaan zou hebben afgewezen. Het boek verscheen in zijn sterfjaar.

Zie de website van de KB: La liberté des mers.


[Wordt vervolgd]

maandag 3 juli 2017

159. Symposium Tekst & Beeld: Franse kunstenaarsboeken (1)

Op donderdag 29 juni werd in de Coenenzaal van de Koninklijke Bibliotheek - Coenen is bekend van het zogeheten Visboek - een bijeenkomst gehouden rond kunstenaarsboeken uit de Collectie Koopman. De middag ontstond op initiatief van de redacteur van het online tijdschrift Relief, Sjef Houppermans; en aan het slot van de bijeenkomst presenteerde Els Jongeneel het nieuwe nummer. Het werd een goed bezochte, geanimeerde en afwisselende middag.


Maaike Koffeman spreekt
Vanaf het einde van de negentiende eeuw werkten kunstenaars op een andere manier aan boeken, niet meer als illustratoren, maar als mede- of zelfs hoofdauteurs. Ook voor de artistieke voorhoede van de twintigste eeuw was het boek een geliefd middel voor experimenten. Daarbij ging het vooral om een nieuwe relatie tussen tekst en beeld. Soms lag de nadruk op de mogelijkheid van een dialoog tussen tekst en beeld, vaak zocht men naar een nieuwe beeldtaal waarbij tekst en afbeelding werden geïntegreerd in verschillende gradaties. Dat gold bijvoorbeeld voor de surrealisten.

Wouter Marinissen spreekt over Man Ray
Veel voorbeelden van dit type kunstenaarsboek kunnen gevonden worden in de Collectie Koopman van de KB. De middag was bedoeld om het academische publiek (zoals de lezers van Relief) en de collectie dichter bij elkaar te brengen en tegelijk waren de lezingen geschikt voor een breder publiek, waaronder de vrienden van de KB.

Charlotte Vrielink over Proust en Van Dongen
Het nieuwe nummer van Relief bevat een speciale afdeling met academische teksten over enkele boeken in de Collectie Koopman. Enkele van de sprekers gaven over hun studies een presentatie. Zo sprak Charlotte Vrielink (Research Master student aan de Radboud Universiteit, Nijmegen) over 'De kunst van het illustreren: Marcel Prousts À la recherche du temps perdu door de ogen van Kees van Dongen’. 


Kees van Dongen, illustratie voor Marcel Proust
Zij stelde vast dat Van Dongens reputatie van vlotte schilder voor deze illustraties niet terecht is, want al lijken de afbeeldingen schetsmatig, ze zijn met veel aandacht voor details in de tekst van Proust ontstaan. De botsende kleuren in de afbeeldingen over de muziek bijvoorbeeld, een belangrijk bijna abstract thema bij Proust, is door Van Dongen gevangen in een palet van kleuren dat rechtstreeks verwijst naar passages in de roman. (Zie voor het volledige verhaal, de bijdrage in Relief).

Wouter Marinissen over Man Ray
Een andere spreker was Wouter Marinissen, student MA Letterkunde aan de Radboud Universiteit, Nijmegen, momenteel tevens stagiair bij de Collectie Koopman. Hij deed veel van het voorbereidend werk voor deze middag, samen met Maaike Koffeman. Hij nam een surrealistische uitgave onder de loep, Man Ray's La photographie n’est pas l’art


Man Ray, foto en onderschrift 
Hij deelde de foto's in volgens een nieuwe classificatie van toenemende vervreemding, deels door abstracties in het beeld, deels door toegevoegde enigmatische onderschriften bij de foto's. (Zie voor zijn volledige tekst de bijdrage in Relief).

Binnenkort zal dit boek ook worden besproken op de website over de Collectie Koopman.

[wordt vervolgd]

vrijdag 23 juni 2017

158. De laatste bibliotheken

Letzte Bibliotheken van Konrad Heyde is een van de raarste boeken die ik de laatste tijd las. Het begint als een beschuldiging aan het adres van bibliothecarissen die hun eigen collectie verkwanselen. Als voorbeeld noemt de auteur die van de Fachstelle für das öffentliche Bibliothekswesen Freiburg in 2014, de als oud papier versnipperde vakbibliotheek die Heyde zelf nog hielp opbouwen. Hij was directeur van die organisatie en vertelt de geschiedenis met rancuneuze melancholie. Het controversiële uitgangspunt – niet de buitenwereld, maar de bibliothecarissen zelf bedreigen het voortbestaan van bibliotheken – komt ook in andere hoofdstukken aan de orde.


De Boekenwereld (juni 2017)
Nieuwsgierig geworden? Lees de gehele recensie in het nieuwste nummer van De Boekenwereld (juni 2017).

donderdag 22 juni 2017

157. Recensie: De lange oren van Midas

Begin juni verscheen van Gerrit Komrij - vijf jaar na zijn dood - de uitgave De lange oren van Midas. Het begin van een schrijverschap, geredigeerd door Arie Pos voor De Bezige Bij.  
Gerrit Komrij, De lange oren van Midas (2017)
De gedichten van Gerrit Komrij zijn altijd veel persoonlijker geweest dan enkele critici beweerden. Komrij’s werk is vaak geassocieerd met spiegeleffecten, maskerades en vermommingen, maar het masker was dan toch steeds zijn eigen masker en in die spiegel zagen we toch echt zijn eigen gezicht. Waarom het persoonlijke werd vervormd in zijn poëzie blijkt uit het recent verschenen boek over de wording van het schrijverschap van Komrij, De lange oren van Midas

De dubbelzinnige titel verwijst naar de periode die Komrij in 1965 en 1966 doorbracht op Kreta – hij was toen net 21 geworden. Midas is bekend uit de Griekse mythologie. De bekendste Midas-mythe gaat over de koning die alles wat hij aanraakt in goud verandert, maar zijn gave kwijt wil nadat zelfs zijn kinderen bij aanraking in goudklompen zijn getransformeerd. Het talent is een last, kortom. De andere mythe heeft ook met talent te maken. In die mythe kiest Midas niet voor de god Apollo, maar voor Pan als beste musicus, en Apollo straft hem met de oren van een ezel. Dat zijn de lange oren van Midas uit de titel van Komrij’s boek. Dan gaat het dus om het herkennen van talent en vooral om de miskenning ervan. De jonge Komrij had daar kennelijk last van. Verschillende uitgevers weigerden zijn vroegste publicaties, en daar was deze roman er een van.

Lees verder op Literatuurplein.

Gerrit Komrij, De lange oren van Midas (2017)

donderdag 8 juni 2017

156. Kleine aanvullingen op De Parelduiker

Onlangs verscheen het nieuwe nummer van De Parelduiker over Gerrit Komrij, met artikelen over bijna alle terreinen waarop hij actief was: C.J. Aarts over Komrij en de zondagsdichters, Gerardjan Rijnders over zijn samenwerking met Komrij voor toneel, Gert Hekma over Komrij als homo-activist, Frits Abrahams over televisie, en er zijn stukken over zijn relatie met Zuid-Afrika, Bernlef, zijn bloemlezingen, gedichten des vaderlands en vertalingen.


De Parelduiker (2017)
Hier en daar schrijf ik wat opmerkingen in de marge die ik op deze manier maar zal delen. U kunt ze dan ook makkelijk overslaan en gewoon doorlezen, want het is een lekker nummer geworden. (Zie de website www.parelduiker.nl). Wel weinig nieuws over Komrij als dichter en als politiek en cultureel commentator en de nadruk ligt nogal op zijn 'tweedehandse' werk: vertalingen en bloemlezingen. Het zij zo.

Kester Freriks schrijft over de wijze waarop Komrij als toneelschrijver succes en verguizing zou ervaren en citeert Komrij's uitspraken over het schrijven van Het chemisch huwelijk, dat zogenaamd, bijna zonder doorhalingen, in een keer geschreven zou zijn. Dat is een mooie mythe natuurlijk, maar bewijsbaar onjuist. Het handschrift toont dat aan.

Ad Zuiderent schrijft over de bloemlezingen. Hij noemt als allereerste bloemlezing Komrij's bij De Arbeiderspers verschenen keuze uit de Ideeën van Multatuli uit 1971 (bij het artikel is overigens een latere editie afgebeeld) - eigenlijk ging er daar nog een aan vooraf, namelijk de bibliofiele uitgave die in 1970 zou worden gepresenteerd, maar vanwege het faillissement van galeriehouder/uitgever Michael Podulke in beslag werd genomen: 30 ideeën van Multatuli. (Er is een exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek.)

Aan het slot van zijn artikel citeert Zuiderent enkele uitspraken van Komrij over het maken van de bloemlezing van kindergedichten, waarvoor Komrij veertien dagen in de KB in een kamer naast de mijne duizenden boeken kreeg aangeleverd. Zuiderent: 'Het is de enige keer dat Komrij het proces van selecteren enigszins gefaseerd heeft beschreven. Waarom juist bij deze bloemlezing? Misschien om te laten zien dat je, mits gezegend met literaire smaak, in korte tijd van volkomen leek op dit gebied een kenner kunt worden.'

Welnee, ten eerste was Komrij natuurlijk geen leek op dit gebied. Hij bezat zelf tientallen van zulke uitgaven. Maar de reden voor zijn gefaseerde verslag van het bloemlezen is heel eenvoudig. De KB heeft hem dat namelijk gevraagd, en hij schreef dagelijks een korte blog. Zijn handgeschreven teksten kreeg ik aan het einde van de dag, ik typte ze dan snel uit en publiceerde ze op onze website, waar ze trouwens nog steeds te vinden zijn: De keuze van Gerrit Komrij (1). Het werden tien blogs (de laatste staat hier: De keuze van Gerrit Komrij (10).)

Goed om te zien overigens dat zo'n simpel verzoek toch maar mooi een gat in de Komrijkunde kan vullen.


Antiquariaatscatalogi over Gerrit Komrij
Achterin het nummer - ik lees zoals gebruikelijk, zowel chronologisch van voren naar achteren als van achteren naar voren - staat een kort artikeltje van Menno Voskuil over catalogi van antiquariaten die geheel aan Komrij zijn gewijd. Hij noemt er drie. Een van Willem Huijer uit 1984, een van Antiquariaat Aioloz uit 2004 en een van Holthuis uit hetzelfde jaar (toen Komrij zestig jaar werd). Er zijn er natuurlijk meer. Huijer bracht bijvoorbeeld ook een aparte catalogus uit in 1993, vlak voordat Komrij de P.C. Hooftprijs in ontvangst zou nemen. In 2012, enkele maanden voor zijn dood, verscheen een Komrij-lijst bij Antiquariaat Schuhmacher in Amsterdam. Ook na zijn dood verschenen er speciaal aan hem gewijde catalogi, zoals die van De Slegte Antwerpen in 2015 en nog een van Holthuis in 2016. Maar goed, zo maak je natuurlijk ieder artikel te lang.